Werkgevers en het hebben van een psychische ziekte
WERKGEVERS EN HET HEBBEN VAN EEN PSYCHISCHE ZIEKTE
Voor werkgevers zijn gezonde werknemers van groot belang.
Dit verhoogt immers de productiviteit, hetgeen veelal een centraal begrip is in ondernemersland. Krijgt een werknemer een psychische aandoening, dan zijn werkgevers vaak niet thuis. Dit is mijn persoonlijke ervaring met inmiddels drie werkgevers in Midden-Nederland.
Nadat ik met veel enthousiasme mijn studie sociale geografie had afgerond, wist ik nog niet precies wat ik zou gaan doen.
Omdat ik betrekkelijk snel en goed door mijn studie was gegaan, vroeg mijn voormalige hoogleraar mij voor a.i.o.-schap. Ik had een weekend bedenktijd. Omdat ik nog niet uitgestudeerd was, stemde ik toe. Binnen vier jaar promoveerde ik glansrijk in de Ruimtelijke Wetenschappen. Ogenschijnlijk lag er een mooie loopbaan voor me open, echter het liep anders.
Na mijn promotie kwam ik in 1994 te werken bij een groot ingenieursbureau, als adviseur stedelijke ontwikkeling. Rond de jaarwisseling van 1995 en 1996 ging het mis.
Ik kreeg het gevoel dat ik achtervolgd werd en ik kreeg last van stemmen en hallucinaties. Het was duidelijk dat er wat aan de hand was. Op verzoek van de bedrijfsarts wendde ik me tot een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ). Het gesprek met de behandelende psychiater leverde al snel duidelijkheid op: ik had een psychose. Er volgde een gesprek met mijn leidinggevende op het ingenieursbureau. Hij gaf aan dat mijn contract niet verlengd zou worden en dat ik rust moest zoeken. Er volgde een opname van 12 weken op de PAAZ.
Na een periode van zes maanden herstel kon ik weer solliciteren.
In het najaar van 1996 kon ik op arbeidstherapeutische basis beginnen bij een klein adviesbureau op het gebied van de ruimtelijke ordening. Met frisse moed ging ik weer aan de slag. Aanvankelijk zag alles er veel belovend uit. In een betrekkelijke beschutte omgeving kreeg ik licht werk. Ik had er weer lol in. Na verloop van tijd werd ik gedetacheerd bij een middelgrote gemeente. De prestatiedruk nam toe. Halverwege het project werd ik van het project gehaald, omdat ik volgens de directeur van het adviesbureau niet voldeed aan de normen van de opdrachtgever. Deze teleurstelling was de basis voor mijn tweede psychose, ondanks consequent gebruik van medicijnen. Er volgde weer een verblijf op de PAAZ. De diagnose luidde dat ik schizofrenie bij mij droeg. De terugkeer naar het adviesbureau werd mij vrijwel onmogelijk gemaakt. Opnieuw stond ik met lege handen.
In maart 1999 kon ik weer aan de slag bij een detacheringsbureau.
Ik werd tijdens mijn proefperiode enkele dagen ziek. Mijn psychiatrische verleden had ik verzwegen. Het detacheringsbureau vroeg in een gesprek wat er met mij aan de hand was. Toen ik een tipje van de sluier oplichtte, kreeg ik te horen dat het detacheringsbureau niet verder met mij wilde.
Na drie maanden dagbehandeling in een psychiatrisch ziekenhuis ben ik me momenteel aan het bezinnen.
Een aspect is inmiddels voor mij duidelijk geworden. Werkgevers, met name in de marktsector, hebben veelal alleen oog voor productiviteit. Deze wegen immers zwaar in het bedrijfsresultaat. Mijn persoonlijke ervaring is dat werkgevers minder oog hebben voor het menselijke aspect. De hoop heb ik nog niet opgegeven. Maar voorlopig denk ik dat vrijwilligerswerk het meest haalbare is. In de toekomst hoop ik wel weer een passende werkkring te vinden. Mensen met schizofrenie worden in deze moderne tijd in werkverhoudingen nog niet altijd geaccepteerd. Blijkbaar hebben we nog een lange weg te gaan!
FM


