Vergelijking klassieke en atypische antipsychotica
VERGELIJKING KLASSIEKE EN ATYPISCHE ANTIPSYCHOTICA
De geneesmiddelencommisie van GGZ noord holland heeft dit jaar haar protocol voor de behandeling van schizofrenie met medicijnen herzien.
Er is een eindrapport verschenen van het KNMG-project "Passende medische zorg". De klassieke anti-psychotica worden vergeleken met de atypische middelen.
Hieronder de bevindingen van dit onderzoek:
De producenten van atypische middelen benadrukken dat deze middelen minder extrapyramidiale bijwerkingen (EPS) hebben. Dit betekent het optreden van ziekteverschijnselen die lijken op de ziekte van parkinson en bewegingsstoornissen.
Dit komt in onderzoeken inderdaad naarvoren, maar het is ook een feit dat vooral klassieke anti-psychotica zonder uitzondering in veel te hoge doseringen worden voorgeschreven.
DREMPEL EPS
De drempel voor EPS wordt gemeten aan de hand van rigiditeit bij armbuigingen. Deze drempel ligt bij haldol op 2mg bij een eerste psychose en 4mg bij chronische patienten. Bij de chronische patienten trad er bij 16% EPS op. Deze dosis (4mg) is even effectief als als hogere doseringen. De mate waarin EPS optreed is afhankelijk van de bezettingsgraad van D2-receptoren. Bij 65-70% bezettingsgraad treed er respons op het middel op. boven de 78% treed er EPS op. 5mg risperdal ligt op deze grens evenals 20 mg zyprexa. Het bijzondere van Leponex is dat het al respons geeft (dus een bezettingsgraad van de receptoren) bij een binding tussen de 16 en 68%.
Bij hogere doseringen van risperdal (hoger dan 5mg) en zyprexa (hoger dan 20mg), treed er EPS op dat is te vergelijken met de klassieke middelen. 1 tot 3 mg haldol is na een eerste psychose toereikend voor effect op de psychose.
Als risperdal vergeleken word met klassieke middelen (dus bij 5mg risperdal of minder) treed bij de klassieke middelen bij een equivalente dosering evenveel of geen EPS op.
Bij acht onderzoeken werd Risperdal vergeleken met klassieke middelen en was significant slechts bij 11% beter dan de klassieke middelen (hoog gedoseerd). Dit werd aangegeven op BPRS (Brief Psychiatric Rating Scale). Bij zyprexa was dat 10%.
Bij de schizo-affectieve stoornis was er wel voordeel van de nieuwe middelen gevonden, ook leponex heeft duidelijk voordeel boven de klassieke, als het gaat om een schizo-affectieve stoornis.
Seroquel heeft geen voordelen boven een laaggedoseerde dosis Haldol.
Van leponex kan gezegd worden dat het duidelijk voordeel heeft boven de standaard neuroleptica.
Geen van de onderzoeken kon een betere werking van risperdal op de negatieve symptomen bewijzen, ondanks de vergelijking met overgedoseerde haldol.
Ook bij zyprexa kon geen betere werking worden gevonden.
Het is ook bekend dat lage doseringen haldol een goed effect hadden op de negatieve symptomen. Hoge doseringen hadden geen effect op de zogenoemde negatieve symptomen.
Hierbij is leponex weer als beste uit de bus gekomen, vier van de vijf onderzoeken geven een voordeel van leponex boven de klassieke middelen.
ANGST EN DEPRESSIE
Bij angst en depressie blijken risperdal en zyprexa gunstig te werken in vergelijking met haldol. Bij jarenlang gebruik van Leponex is er de minste kans op tardieve dyskinesie, ook is er bij leponex een gunstige werking bij therapie-resistente mensen met schizofrenie.
Risperdal en zyprexa zijn slecht onderzocht op bijvoorbeeld: cognitieve functies, tardieve dyskinesieen en therapie resistentie.
Leponex is beter dan risperdal als het gaat om de werking op de positieve symptomen en dubbele diagnose (schizofrenie+verslaving); het verminderd eveneens het suicide risico bij deze groep.
Risperdal blijkt vaker dan andere middelen te leiden tot sexuele disfunctie.
Zyprexa en Leponex geven allebei de hoogste gewichtstoename. Risperdal geeft dit in iets mindere mate.
Bij de atypische middelen is ook het optreden van diabetes mellitus beschreven, en een verhoging van de concentraties lipiden en cholestorol. Alle middelen geven een gewichtstoename wat op zichzelf een gezondheidsrisico is.
Het is al bekend dat Leponex kan leiden tot agranulocytose ( een vermindering van de witte bloedlichaampjes) Twee onderzoeken bij 25.000 mensen bleek er een risico te zijn van 0,68%. De kans voor de gehele populatie bleek 0,016%.
De huidige medicijnen (dus de atypische middelen) worden naast de symptoombestrijding (de zogenaamde positieve en negatieve symptomen) ook onderzocht op het gebied van preventie van recidieven (een nieuwe psychose ), opnamen en suicides.
Bij deze laatste punten werd er geen verschil gevonden tussen de klassieke en atypische middelen, soms kwamen de atypische middelen slechter uit het onderzoek.
De levenskwaliteit is nog maar heel weinig onderzocht bij de atypische middelen, bij zyprexa is er een gunstige tendens. Bij herhaaldelijk psychotisch worden kwam leponex als beste uit het onderzoek.
CONCLUSIES
De geneesmiddelencommissie komt met de conclusie dat het voordeel van de nieuwe middelen deels niet bewezen is en deels heel klein kan worden genoemd.
De klassieke middelen hebben het voordeel dat er een depotvorm is en het effect op bepaalde plasmaspiegels gunstig kan worden genoemd.
De commissie vind het gerechtvaardigd dat er eerst met een klassiek middel wordt begonnen, bij te veel bijwerkingen of te weinig effect wordt overgeschakeld op risperdal of zyprexa (de best onderzochte atypische middelen).
Als er geen respons is op een klassiek of aptypisch middel, wordt er een proefbehandeling met Leponex aangeboden.(het laatste redmiddel).
Dit artikel werd samengesteld door G.F.
Bron: Eindrapport KNMG-project: ' Passende medische zorg' .




