Psychiatrie en erfelijkheid

Datum uitgifte Open Geest: 
2006-12
Nr 47

Psychiatrie en erfelijkheid

Op donderdag 21 september 2006 had de stichting Labyrint in Eindhoven een lezing georganiseerd waarbij prof. Dr. M.F. Niermeijer een lezing kwam geven over ‘Psychiatrie en erfelijkheid’.
De spreker is namelijk klinisch geneticus en is verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Het is volgens hem mogelijk om met scanapparaten te achterhalen waar iemand naar kijkt.
Als de proefpersoon kijkt naar een foto met een gebouw, mens of bijvoorbeeld een dier dan worden weer andere cellen in het brein actief. Dit is ook het geval als mensen bijvoorbeeld somber of heel opgewonden zijn, dan zijn er weer andere hersencellen actief. We kunnen hier echter nog niet gericht medicijnen op toedienen dat deze processen geneutraliseerd worden.

In sommige families kun je zien dat een grootouder bijvoorbeeld last had van een stemmingsziekte, bijvoorbeeld depressies en dat zijn of haar (klein)kinderen vervolgens ook last hadden van stemmingsziekten.
Of ook daardoor aan bijvoorbeeld angsten, agressie, wanen of autisme gingen lijden. Voor tweelingen geldt bijvoorbeeld dat wanneer een kind aan een depressie lijdt, dat dan het andere kind 10 – 50 % kans heeft dat hij ook zo’n stoornis ontwikkeld. Voor een gewone broer of zus is dat 7 %. De neurowetenschap legt verbanden tussen deze stemmingsstoornis en bijvoorbeeld ritmen en prikkelstoffen zoals serotonine. We kunnen nu bijvoorbeeld ratten depressief maken door hun hersencellen hierin te beïnvloeden.

Hoe zit het nu met schizofrenie?
De bekende schilder uit de 15de eeuw, Jeroen Bosch, schilderde al beelden die deze ziekte uitdrukten, zoals Niermeijer deze avond liet zien. Een psychose door een ouder kan vervolgens weer leiden tot een kil of gevoelloos bestaan door het kind en het wordt ook vaak in verband gebracht met alcohol- of drugsmisbruik door het nageslacht. Andere ziekten die hieruit voortkomen zijn: ADHD, autisme en zwakbegaafdheid.

Met hersenonderzoek is de laatste tien jaar naar voren gebracht dat het contact tussen individuele hersencellen niet goed verloopt bij schizofreniepatiënten.
Er zijn bijvoorbeeld kleinere hersencellichamen en celuitlopers en er zijn minder contactplekken tussen de verschillende hersencellen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek bij overleden schizofreniepatiënten waarbij hun hersens geopend zijn. De erfelijke eigenschappen bevinden zich in eiwitten en hiernaar wordt veel onderzoek verricht en verbanden getrokken. Opvallend is echter bij schizofrenie dat niet alleen erfelijke factoren meespelen maar ook neonatale problemen. Als voorbeeld gaf Niermeijer dat kinderen van vrouwen die zwanger waren tijdens de hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog vaker psychosen ontwikkelden.

Hij trok als laatste de volgende vier conclusies:

      
a) Dat psychische ziekten de schuld is van verkeerd opvoeden is verleden tijd.
     b) Familiebegeleiding en -onderzoek in de psychiatrie is belangrijk bij het stellen van de diagnose.
     c)  Er moeten nieuwe medicijnen ontwikkeld worden uit verbandlegging in de psychiatrische wetenschap.
     d) Het is nog niet mogelijk om via testen te kijken of iemand later een psychische stoornis zal krijgen.

Stan van H.